Van pennen tot dobberloeren

Als iemand nu de vraag zou stellen; ‘Wat is de leukste manier om karper te vangen?’ dan zou mijn antwoord zijn; ‘Met de pen’. Misschien niet de manier om de grootste vissen te vangen maar wel een waarbij je visser bent en je visser voelt. Gewoon visser, niet meer en niet minder. En eigenlijk is dit waar het om draait, de essentie van het vissen, al kijkend naar een dobber de vis belagen. In die mate dat de wereld om je heen stilstaat en je volledig geconcentreerd bent op die rode antenne. Je wereld is op dat moment die rode antenne en met je hand het kurk van de hengel omsloten om op alles te reageren. Ergens heb ik een keer gelezen; ‘Penvissen doe je met je hengel in je hand’. En wat schuilt hier een les in. Voor sommige van ons en ook voor mij de ultieme manier van vissen voor andere helemaal niets of enkel verworden tot ‘bijlegger’.

Het leuke van penvissen is dat het bijna altijd en overal kan. Je hebt nagenoeg niets nodig en de voorbereiding is ook te overzien. Nou ja, alles hangt natuurlijk af van wat je wilt, waar je bent en wat voor resultaat je wilt bereiken. Mijn ogen voor het vissen met een dobber zijn werkelijk helemaal opengegaan nadat ik Mark Pollard,  een Engelse wedstrijdvisser, bezig zag op een Frans water. De finesse, de zorgvuldigheid en vooral de tactiek die hij gebruikte om zelfs grote karpers te vangen sprak tot verbeelding. Ik durf bijna mijn eigen penvisserij daarmee vergeleken lomp en ondoordacht te noemen. Het is onvoorstelbaar om te zien hoe een voerstekje opgebouwd wordt, hoe de vis gemanipuleerd wordt en hoe subtiel de aanbeten soms zijn. Maar wat ook opvalt, is dat er met een kleine hoeveelheid voer gewerkt wordt. Vele malen kleiner dan wat een doorsnee karpervisser gebruikt. Zeer kleine hoeveelheden maar met een vaste regelmaat worden gevoerd, bijna op een soort ritme.

Blikmaïs en gekookte hennep. Een gouden combi

Ook bevat het voer relatief weinig echte voedingsdeeltjes. Het overgrote deel bestaat uit pellets aangevuld met wat hennep en blikmaïs. Met precisie wordt een kleine hoeveelheid voer constant op dezelfde plaats gedropt, afhankelijk van de afstand met de hand, voercup of een kleine katapult.

De dobbermontage is simpel, een stevige wedstrijdpen met goed zichtbare antenne, een simpele loodzetting en een kleine klauwhaak direct op de hoofdlijn. Wat ook direct opvalt, is de korte opslag, de kleine afstand tussen top en dobber. Er is contant contact zonder dat er veel lijn uitstaat. Het tuig staat zo afgesteld dat wanneer het aas op de bodem staat de antenne nog net zichtbaar blijft. Een ‘staand tuig’ volgens de boekjes. Bij elke voerbeurt wordt het tuig enkele decimeters opgelicht om samen met het losse voer terug te zakken. In de meeste gevallen, het moment dat een aanbeet volgt. Na de dril en het landen zou je denken dat alle vis van de stek verjaagd is maar niets is minder waard. Door de zachte hengels is het gevecht rustig, vluchtpogingen worden door de demping opgevangen en zijn lang niet zo fel. Zodra het voer weer met regelmaat komt is de vis weer gelijk aan het azen.


De polder; heerlijk water om met de pen te vissen

Dit vertalen naar het penvissen in een polder, onder een duiker of tegen een brugpeiler is niet direct mogelijk. De omstandigheden zijn veel anders en vaak zit er veel minder vis op de stek. Maar toch… Voorheen viste ik ook met een ‘klassieke pen’ een handgemaakte dobber volgens traditioneel model. Dobbers die eigenlijk veel te veel lood vragen. Een klauwhaak maat 4 of 6 met 3 à 4 maïskorrels was daarbij gebruikelijk. Dit alles heeft plaats gemaakt voor een relatief dunne lijn met hoge trekkracht. Tegenwoordig zijn er verschillende lijnen in de handel die met 0.24 mm een trekkracht van 10Lb hebben. En… die niet gelijk kinken of rare krullen laten zien na bijvoorbeeld het aanknopen van een haak. Mijn dobbers hebben plaats gemaakt voor ‘wedstrijdpennen’ met balsa lichaam, een onderantenne van carbon en een goed zichtbare, eenkleurige antenne. Mits je de dobber maar niet bevestigd door de ringetjes maar gewoon met een stukje siliconenslang zijn ze zeker zo sterk als een ‘echte karperpen’.


De pen en een klauwhaakje

Vanuit Engeland en de laatste jaren ook uit Frankrijk komen er steeds meer dobbers overwaaien die gericht zijn op het karpervissen. Wellicht niet voor ‘onze’ manier van vissen. Al deze dobbers kenmerken zich door een stevige bouw, hoog geplaatst drijflichaam en een goed zichtbare antenne. Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar de Fox Match MP3 in het gewicht 0.60 gram. Boven bevestig ik de dobber met een stukje siliconen slang van 1.0 mm en onder met twee stukjes van 0.5 mm. Het oogje laat ik zoals eerder vermeld buiten gebruik. Door twee stukjes op de onderantenne te gebruiken wordt bij een dril de spanning beter verdeeld. Alleen bij erg harde wind of bij veel trek op het water verkies ik een ander type dobber. Op dat soort momenten kun je beter uit de voeten met dobbers die alleen via een oogje aan de onderzijde te bevestigen zijn. Een dobber van 0.60 gram is perfect uit te loden met twee loodhagels; één BB loodhagel (0.40 gram) en één loodhagel nummer 4 (0.20) gram.


Tot aan het handvat!

Afhankelijk van de periode van het jaar en de manier van azen, op dat moment bepaal ik de afstand van het onderste loodje. In het najaar als het kouder wordt plaats ik het onderste loodje op maximaal 5 cm van de haak. Als het water warmer is kan dit rustig oplopen tot 30 centimeter. Hoe dichter het loodje bij de haak zit hoe nauwkeuriger je vist. Zeker in de winter kan die kleine extra beetindicatie het verschil maken. Als haak is er eigenlijk maar een soort die ik gebruik, een klauwhaak met een korte steel en een oogje. En hierbij hebben de kleine maten mijn voorkeur. Een Fox Series 2 maat 10 is mijn meest gebruikte haak. Klein, scherp en toch voldoende sterk om een hard vechtende vis de baas te kunnen. Op zich een enorm simpele opbouw waar je nagenoeg overal mee uit de voeten kunt. Het bijkomende voordeel ik ook dat je maar een minimale hoeveelheid materiaal nodig hebt en dus met een kleine tackle box op pad kunt.


Dobberloeren

Over het soort voer en het aas kan ik heel kort zijn. Na tal van omzwervingen, experimenten en alternatieven komt er constant een beproefd mengsel boven drijven; blikmaïs en gekookte hennep. Dit in de verhouding 1 deel blikmaïs en 3 delen hennep. Soms durf ik het nog iets aan te vullen met enkele olierijke pellets, hierbij zijn de Dynamite Halibut pellets mijn eerste keuze. Als haakaas gebruik ik in 95% van de gevallen blikmaïs en maden. Met maden bijvoeren doe ik maar zelden, tenzij ze dood zijn. Misschien kost het me soms een vis die ik met een andere aas wel gevangen zou hebben. Eerlijk gezegd heb ik niet dat gevoel. Door klein en subtiel aas te gebruiken zou het wel eens een extra vis kunnen opleveren.


Ware vechtersbazen!

Waar ik wel veel aandacht aan besteed is de manier van voeren. Als het even kan probeer ik vooraf het water minimaal een keer maar liever nog twee of drie maal te bezoeken om wat voer te strooien. Bij bruggen, duikers of andere markante plaatsen voer ik op een klein oppervlak toch enigszins geconcentreerd. Op kanalen of lange oevers hanteer ik een compleet andere aanpak. Hier voer ik geen stekjes aan maar een complete oeverzone soms wel tot 200 meter lang en dit tot hooguit maar een meter uit de kant. Twee kilo hennep en een blikje maïs wordt gemengd en met de hand of met een schep beetje bij beetje over de hele lengte verspreid en in tegenstelling tot de typische penstekjes is nu de hele oeverzone een potentiële stek geworden. Dit met resultaten die soms tot verbeelding spreken.

Ik herinner me meerdere korte trips waarbij bij nagenoeg elke inzet de dobber gelijk wegliep. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het niet altijd karper was, soms ook brasem of zeelt. Maar de verdere karpervangsten maken dat soort bijvangsten snel goed. De geconcentreerd aangevoerde stekjes zijn iets eenvoudiger te bevissen op de manier zoals een wedstrijdvisser dat zou doen. Bij aankomst voer ik een heel klein beetje, vaak maar iets tussen duim en vingers, zeker geen handvol. Het tuig wordt met behulp van een ouderwets peillood op diepte gezet. Ik zet hierbij het peillood op het onderste loodje en zorg dat te antenne net boven water komt. Let hierbij wel op dat je de lijn vrijgeeft zodat de dobber ook echt boven het lood komt te staan.


Een molen met een goed werkende slip is essentieel

Op diep water of bij hardere stroming zet ik soms een stukje foam op de antenne om de dobber tijdelijk meer drijfvermogen te geven. De afstand van het onderste loodje bepaald zo de overdiepte; je vist dus met een liggend tuig. Wordt het echt lastig en zijn de beten minimaal schakel ik over naar een staand tuig. Hierbij staat de haak net op de grond. Een klein stukje wedstrijd elastiek net boven de dobber geknoopt met een simpele overhandse knoop dient als geheugen steun in het geval je meerdere stekjes bevist met verschillende dieptes. Je kunt dit natuurlijk ook markeren op de hengel. Als aas gaat er een maïskorrel op de haak, net door het velletje, en twee maden. Ik probeer de haak helemaal vrij te houden, zowel de punt als de bocht. In tegenstelling tot de meeste penvissers doe ik geen enkele moeite de haak te verbergen. Een volledig gevulde haak heeft veel meer moeite met haken bij een aanslag. En eerlijk gezegd oogt zo’n prikker vol wel erg vreemd tussen al het losse aas. En het gedraagt zich ook heel anders. Maar ik moet ook toegeven dat ik het in het begin ook erg magertjes vond, een klein haakje, één maïskorreltje, maden… Karper heeft er duidelijk minder problemen mee. Door het weinig maar regelmatig een beetje bij voeren tijdens het vissen en dit zo geconcentreerd mogelijk te doen pakt de vis voerdeeltjes snel zonder veel argwaan.


Hier kun je karper verwachten

In de meeste gevallen zijn de beten niet twijfelachtig maar van het type ‘pats weg’. Ik wacht dan ook niet op een mooie opsteker of wegloper. Blijven beten uit dan lift ik met regelmaat even de dobber om hem rustig te laten zaken. Als er vis aanwezig is duurt het niet lang voor er een beet volgt, ‘spelen’ noemen ze dat. Dat beetje bewegen geeft vaak een pakreflex zelfs bij vissen die passief zijn. Eigenlijk gaat hetzelfde op bij het vissen van de aangevoerde strook. Je kunt bij aankomst enkele plekjes van wat voer voorzien en ze dan afvissen maar even goed kun je om de twintig à dertig meter je dobber laten zakken en er een klein beetje voer bij gooien. Na tien minuten nog geen beet nog een beetje voeren. Gebeurt er daarna nog niets schuif je weer op. De beten komen overeen met zoals eerder omschreven en komen vaak uit het niets zonder voorbode.


Fantastische sport op een penhengel

Al met al voldoende mogelijkheden om in een zeer korte tijd zeer efficiënt te vissen. Erg lang hoeven die trips niet te zijn en erg lang houd je het ook niet vol om zo aandachtig en geconcentreerd bezig te zijn. Elke beweging die anders is wordt beantwoord met een aanslag. Soms sta ik met een kromme hengel en kan niet eens echt zeggen op wat voor aanbeet ik aangeslagen heb. Ja, penvissen doe je dus echt met de hengel in je hand.

Advertentie
Reacties

Plaats een reactie

U bent momenteel niet ingelogd bij CarpFeeling. Als u een reactie plaatst moet u het opgegeven e-mail adres valideren middels een e-mail die ontvangt. Uw e-mail adres wordt voor de rest niet gebruikt. Het is maar een simpele muisklik, maar zo weten we wel zeker dat er geen misbruik van gemaakt wordt zonder in te boeten aan gebruiksvriendelijkheid. Maar als u zich aanmeldt of registreert dan hoeft dit niet en is uw reactie direct zichtbaar, nog net wat makkelijker dus.