In zijn column ‘Meer dan alleen dat balletje‘ vertelt Carli Driessen van MyBoilie over zijn (eigenzinnige) visie op aas. Hij gaat uitgebreid in op de eigenschappen van boilies en de verschillende ingrediënten die hierin verwerkt kunnen worden. Daarnaast legt hij de behoeften van de de karpers uit aan de hand van praktijkvoorbeelden en ervaringen. Als aas je interesseert mag je deze column niet missen! In deze aflevering bespreekt Carli de tweede fase van de vangst, met het ‘verleiden om te eten’ in het bijzonder. Vorige aflevering gemist? Je leest hem hier.
Advertentie:
De vier fasen van de vangst: Fase 2 – Verleiden om te eten
De vis verleiden om je aas te eten is misschien wel één van de meest besproken onderwerpen van onze hobby. In ieder geval in relatie tot die boilie. Elke reclame spreekt zich hierover uit. Het draait om dat wat we allemaal willen, namelijk dat de vis wil eten en wij hem kunnen vangen. En al is alleen goed aas geen garantie voor succes, voor ons zelfdraaiers is het een uiterst relevante vraag; wat doet de karper eten?!

Wat doet de karper eten?
Dit is dan ook de kern van dit artikel. Waarbij we direct kunnen vaststellen dat hier geen eenduidig antwoord op bestaat. Er zijn te veel variabelen:
- mate van dressuur
- hoeveelheid (natuurlijk) voedsel
- preoccupatie van de vis (conditionering)
- het soort seizoensdeel
- de waterkwaliteit (zuurstofgehalte, PH-waarden, saliniteit…)
- enzovoort
Ze oefenen allemaal op hun eigen wijze invloed uit op de eetlust van de vis. Het zijn thema’s waarover ik uitgebreid geschreven heb in de Profiler-serie. Maar goed, het gaat mij nu niet om een context-specifiek antwoord. Het gaat mij nu om dat fenomeen ‘verleiden’ zelf, als fase in die vangst. Iets wat je praktisch niet los kunt zien van het bovenstaande, maar wel in het kader van begripsvorming inzichtelijk kunt maken. Het framewerk ervan kan je dan later in jouw praktijk naar eigen inzicht gebruiken. Net als in de voorgaande fase, waar het gaat om hoe we de vis op onze stek trekken, richten we ons ook hier op het fenomeen attractiviteit. En daarmee de middelen waarmee we de zintuigen van de karper kunnen bespelen (lees: Meer dan alleen dat balletje (9).

Zintuigen van de karper
De focus ligt alleen nu op andere ‘schuifjes’ dan in die 1e fase (lees: Meer dan alleen dat balletje (20). Het gaat nu om het eten zelf. Een opgave die twee aspecten kent. De eerste is het proces van verwerking, onder te verdelen in drie momenten:
- herkenning (overlap met fase 1)
- opname (intentie om te eten)
- keuring (besluit om wel/niet te eten)
De tweede is dat elk van die momenten een ander samenspel kent tussen de verschillende zintuigen van de karper, onder te verdelen in drie vormen van detectie:
- visueel (ogen)
- geur (neuskamer)
- smaak (chemische cellen op het lichaam (1), receptoren op de baarddraden en lippen (2), receptoren in de mond- en keelholte (palataal orgaan | tong-achtig kussentje en het gehemelte (3)
Om nu te voorkomen dat we wegzakken in uitzonderingen en details, wil ik het antwoord op de opgave (dat verleiden dus) formuleren op basis van die drie momenten en die drie vormen van detectie.

Herkenning van het aas
In mijn optiek is dit het moment waarop ‘de verleiding’ begint. Het start met het feit dat de karper op de één of andere manier jouw aas als zijn (mogelijk) voedsel moet zien en herkennen. Hier bevindt zich logischerwijs een zekere overlap met de voorgaande fase; die vis op je stek trekken. Detectie gaat hier vooral via geur en (afhankelijk van de waterkwaliteit) ook visueel. Middelen om hier invloed op uit te oefenen zijn:
- Zichtbaar zijn door het soort presentatie en kleur
- Herkenbaar zijn door vorm, beweging en de (smaak)componenten in je aas die in water oplossen (metabolieten als organische zuren en aminozuren | suikers, vetten, feromonen | PH-waarden)
Naar schrijven hebben cellen op de huid van de karper, de zogeheten ‘smaakknopjes’, het vermogen om voedsel als het ware te ‘proeven’. De karper zou zo op afstand smaak inhoudelijk kunnen beoordelen. Maar het ontbreekt ons hier aan onderbouwing, dus laat ik deze stelling achterwege. Mogelijk is het van invloed, mogelijk niet. Ik denk echter dat dit gegeven voor ons zelfdraaiers sowieso weinig relevant is. Dit moment in die verleiding vraagt meer om het bespelen van de nieuwsgierigheid, met hopelijk een oppak-reflex tot gevolg. Smaak is zeker van belang, maar op dat moment niet het meest effectief. Inspelen op zijn aangeboren nieuwsgierigheid, door zichtbaar te zijn en herkenbaar als voedsel, is dat wel.

Opname (geur en smaak)
Voor alle duidelijkheid, in feite kan die herkenning en daarmee oppak-reflex al een vangst opleveren. Meer heb je niet nodig. Daarom is het accentueren van je haakaas soms zo effectief en worden karpers zelfs met alleen kunstaas gevangen. Maar dat wil niet zeggen dat er in dat moment van opname zelf niks gebeurd… en dus niks te winnen valt.
In dat moment van opname zelf besluit de karper namelijk om jouw aas wel of niet naar binnen te zuigen. Met ander woorden; jouw aas wel of niet het voordeel van de twijfel te geven. Naar schrijven beoordeeld hij daarvoor het aas op basis van drie criteria:
- Is het een potentiële (nieuwe) voedselbron? (herkenbaar als karakter)
- Is het een veilige voedselbron? (niet giftig)
- Is het een aantrekkelijke voedselbron? (niet te bitter, verrot of te intens)
Hij toetst dit met behulp van zijn neuskamer (geur) en de receptoren op zijn lippen en baarddraden (smaak). Dit onder invloed van die eerder genoemde variabelen natuurlijk (dressuur, aanwezig natuurlijk voedsel, preoccupatie, enzovoort). Wat de reactie wispelturig maakt. Maar als we deze strategische aspecten buiten beschouwing laten, dan is er eigenlijk niet echt veel voor nodig om de karper jouw aas naar binnen te laten slurpen. Zolang de boilie (en het geurspoor ervan) maar ervaren wordt als die potentiële (nieuwe), veilige en niet vieze voedselbron.

Het is dus aan ons om in ieder geval die drie voorwaarden af te turven. Triggers zoals knoflook, boterzuur, citroenzuur, L-aminozuren e.d. kunnen hierbij een aanvullende rol spelen, als duwtje in de rug. Ook het zo lang mogelijk in stand houden van dat geurspoor helpt. Met andere woorden; het voedselsignaal over verschillende tijdsperioden uitwasemen. Dit door bijvoorbeeld je meest smaakmakende grondstof in verschillende hoedanigheden toe te passen. Wetende dat elk soort van grondstof het voedselsignaal over een andere tijdsperiode aan water afstaat. Denk hierbij aan:
- vaste grondstof in de droge mix (melen, poeders, extracten)
- vloeibare grondstof in de natte mix (liquids, flavours, (etherische) olie, oleoharsen)
- vaste grondstof na het koken/stomen (poedercoating, pasta, maden e.d)
- vloeibare grondstof na het koken/stomen (liquids, flavours, spray’s)

Keuring (smaak)
Met de uitgangspunten van de herkenning en opname komen we al een heel eind. Iets wat we in de praktijk ook terugzien. Namelijk dat er met de meeste boilies wel een vis gevangen wordt. Misschien niet altijd even overtuigend of langdurig, maar toch… ze vangen vis!
Voor dat ‘overtuigende’ is iets extra’s nodig. Iets waardoor de boilie als het ware door de keuring komt als consumptie. Dat extra gaat in mijn optiek over drie thema’s:
- smaak (voedingssoort in relatie tot (o.a.) preoccupatie)
- balans (voedingswaarde in relatie tot (o.a.) omgeving)
- spijsvertering (metabolisme in relatie tot (o.a.) seizoenen)
Let wel, van deze drie is voor deze fase eigenlijk alléén die eerste echt van belang; die smaak. Het creëren van een goede balans en spijsvertering is óók belangrijk, maar meer in relatie tot wat er vervolgens na dat eten gebeurt. Hoe de karper zich na het eten voelt. Dit vanuit de ambitie om de karper meer te laten eten (fase 3), als óók om hem voor het voedsel terug laten komen (fase 4). Het is belangrijk om in je hoofd dat onderscheid te maken, om hier hiërarchie aan te brengen.

Want anders belanden we in een monoliet van grondstoffen, liquids, dips, soaks, mixen enzovoort. Allen relevant en aangeprezen met succesverhalen. Begrijpelijk wel, maar ook de reden waardoor we door de bomen het bos niet zien. Onderscheidt maken tussen het willen eten en het na die ervaring nog steeds willen eten, maakt dat we er een pijl doorheen kunnen schieten. Smaak kunnen we namelijk op deze manier terugvoeren op een simpele groslijst van favorieten.
Onze favoriete grondstoffen
Het gaat dan om grondstoffen die in de praktijk bewezen gegeten worden… that’s it! Grondstoffen die het karakter van je voedselimpuls vormen en die we vaak terug zien in de naam van de boilie. Iedereen heeft wel zo’n lijst. Dit is die van ons:
- Zijderupsen (gemalen)
- Leverproducten (poeder & extracten)
- Noten (enkele soorten als ook mixen)
- Hennep (gemalen en getoast)
- Insecten (mixen)
- Krill (en garnaalachtigen)
- Inktvis
- Vis (als hoofdgerecht >> maar alleen echt vers!)
- Birdfoods (als ook kruiden- en zadenmixen)
- Weekdieren (GLM, bloodworm)
- Mais e.d. (diverse (zoete) plantaardige grondstoffen)
- Pepers e.d. (die ‘prikkels’)
Alles staat hier dus los van een optimale verhouding, dosering en/of combinatie. Als óók het moment waarop we vissen, de wijze waarop we het aas aanbieden, het seizoen waarin we zitten, enzovoort. En de wetenschap dat tal van basisstoffen (Soya, Tarwe, Vitamealo…) of exoten (Masala, Ketjap, Ve-tsin) net zo belangrijk kunnen zijn in het vormen van goed aas als die ‘hoofdrolspelers’. Maar we hebben nu eenmaal hiërarchie nodig om het vraagstuk helder te houden. En voor deze fase in de vangst is de referentie van zo’n lijst voldoende.

Samengevat
Op basis van het voorgaande kunnen we nu vaststellen wat er nodig is om de vis te verleiden om je aas te eten. Zie het als een soort mindmap waarlangs je deze fase kunt optimaliseren. Met daarin die smaak als minimale vereiste. Want het gaat uiteindelijk om die keuring. Je kunt hier een en ander als volgt formuleren:
Om ervoor te zorgen dat de karper jouw aas gaat eten, helpt het om in je recept een antwoord te geven op de volgende vijf opgaven:
- Zorg dat je aas zichtbaar is en herkenbaar als voedsel (visueel en geurspoor)
- Voldoe aan de elementaire uitgangspunten van gezond voer (houd het vers, eetbaar, niet giftig)
- Bouw je recept rond een bewezen en gewaardeerde grondstof (kies een karakter uit de groslijst)
- Gebruik voor dit karakter grondstoffen in verschillende hoedanigheden (meel, extract, flavour)
- Voeg zo mogelijk een trigger toe om de karper dat ‘duwtje in de rug’ te geven
De uitwerking hiervan is voor iedereen en elk recept weer anders. De bewegingsruimte is groot. Het vraagt alleen om wat durf en de behoefte om te experimenteren. Zolang echter je recept voldoet aan die vijf opgaven zullen de resultaten in de praktijk elkaar niet zo ontlopen. Er zijn vele wegen naar Rome!

De karper is geen kritische eter
Laten we duidelijk zijn, de karper is een meester in het keuren van voedsel. Vies, oud of giftig spul wordt direct genegeerd. Maar dat maakt hem nog niet ‘een kritische eter’. De context waarin de karper zich bevindt kan hem wel als zodanig conditioneren. De rede dan ook waarom per situatie de opgave meer complex is als dat ik schrijf in dit artikel. Maar vanuit de ‘baseline’ van de vis, zijn ‘natuurlijk instinct’, is hij een omnivoor; een echte alleseter die probeert te overleven. En vanuit die 80/20 regel (lees: Meer dan alleen dat balletje (2), waarin het advies is om eerst die 80% veilig te stellen alvorens naar perfectie te streven, is de bovenstaande mindmap spot on!

Nogmaals, ik ben niet zo van de conclusies, maar je zult vast hebben opgemerkt dat tot op heden dat bouwen van die boilie geen NASA-tec betreft. Waarmee ik niet wil zeggen dat een goed recept samenstellen eenvoudig is of dat elke boilie zomaar vis vangt. Wat ik duidelijk wil maken, is dat we best wat speelruimte hebben om in te bewegen. Ik bedoel, een zekere eenvoud en logisch nadenken brengt je al een heel eind. Misschien is het aas nog niet perfect, maar je vangt wel. Neem die mystiek rondom die ‘gouden bal’ dus met een korreltje zout en of dit nu Himalaya, Keltisch, Rock of gewoon zeezout is, maakt niet uit 😉
Advertentie:






