Meer dan alleen dat balletje (10)

Meer dan alleen dat balletje 10 - Profiler deel 3

In zijn column ‘Meer dan alleen dat balletje‘ vertelt Carli Driessen van MyBoilie over zijn (eigenzinnige) visie op aas. Hij gaat uitgebreid in op de eigenschappen van boilies en de verschillende ingrediënten die hierin verwerkt kunnen worden. Daarnaast legt hij de behoeften van de de karpers uit aan de hand van praktijkvoorbeelden en ervaringen. Als aas je interesseert mag je deze column niet missen! Vorige aflevering gemist? Je leest hem hier.

 

Advertentie:

  



Profiler deel 3: Het soort water

Uitzoomen

In het tweede deel van de Profiler schreef ik over het effect van tijd op het soort van boilie dat je wilt draaien of de soort strategie die je wilt volgen. Dit leidde tot de uitwerking van een serie ‘voedselsignalen’ waarmee je de vis kunt bespelen en op basis waarvan je jouw recept inhoud kunt geven. In dit derde deel van de Profiler ga ik uitzoomen naar de vraag in hoeverre het soort water invloed heeft op de boilie waarmee je wilt vissen.

Ik noem het expres uitzoomen, omdat het vraagstuk van het soort water een zekere abstractie met zich meebrengt. Je zou het ook een beperkte mate van exactheid of zekerheid kunnen noemen. De werkelijk relevante verschillen tussen een rivier of binnenwater, zand- en grindput, parkvijver of betaalwater zijn namelijk niet zo makkelijk te definiëren. Ik bedoel, er is sprake van steeds (vrijwel) dezelfde vis, hetzelfde vloeistof, er is altijd wel een bodemverloop, meer of minder natuurlijk voedsel, wisselende temperaturen, behoefte om te paaien, noodzaak om te eten, enzovoort. Daarbij is de ene rivier niet de andere rivier, hetgeen voor elk ander type water geldt.

Meer dan alleen dat balletje 10 - Profiler deel 3

Ik denk dus niet dat er een absolute waarde is te koppelen aan de vraag of het soort water (als in rivier, meer, betaalwater, vijver) invloed heeft op je aas, want het soort water is als begrip hiervoor te weinig specifiek.

Voorsorteren

Dat wil niet zeggen dat dit ook einde oefening is. Er zijn wel degelijk verschillen te benoemen die aanknopingspunten bieden, maar deze vallen alleen niet perse onder de titel van DE rivier of HET meer of HET betaalwater. In die zin denk ik dus ook niet dat er zoiets bestaat als een bepaald type boilie voor DE rivier of HET meer, DE zand- of grindput, HET betaalwater of DE vijver, maar ik denk wel dat water op zich eigenschappen kent op basis waarvan we een zeker ‘intuïtief kader’ kunnen vormen op basis waarvan we op een gegeven situatie kunnen voorsorteren.

Aanknopingspunten

Als we op zoek gaan naar aanknopingspunten, dan moeten deze wel begrijpelijk het verschil maken tussen soorten water. Zoals ik al eerder aangaf vraagt dit om een zeker abstractie-niveau. Het doel is om een verwachtingspatroon te construeren.

Zo is bijvoorbeeld de diepte van een water geen echt onderscheidende kwaliteit. Je hebt zowel diepe als ondiepe meren, als ook diepe en ondiepe rivieren, afgravingen, betaalwateren… zelfs vijvers. Hetzelfde geldt voor de kleur en/of kwaliteit van het water, de mate van (natuurlijk) voedsel, ja zelfs de vorm of ligging van een water. Er is altijd wel een voorbeeld te vinden waarbij een zeker vergelijk mogelijk is tussen de verschillende soorten wateren en dus niet sprake van een onderscheidend criterium in algemene zin. Wel als we inzoomen op een specifieke plek natuurlijk, maar dat is niet waar we naar op zoek zijn. We zoeken niet naar kenmerken op de schaal van dat ene water, maar de kenmerken op de schaal van HET water.

Naarmate je hier langer over nadenkt vallen er steeds meer waarden af. De enige die overblijven in mijn belevingswereld zijn drie hele primaire eigenschappen:

• De maat
• De stroming
• De cultuur

En zelfs hier moeten we voorzichtig blijven, daar de effecten van deze eigenschappen niet overal en altijd dezelfde zijn. Maar goed, ze geven wel aanknopingspunten voor onze zoektocht naar beter aas… hier komen ze.

Meer dan alleen dat balletje 10 - Profiler deel 3

Maat (groot of klein water…)

Het eerste aanknopingspunt gaat over de grootte van het water. Om hier handen en voeten aan te geven: alles boven 50 hectare beschouw ik als groot water. Dit is geen harde grens natuurlijk, meer een gevoelsmatige indicatie. De maat van een water is echter een absoluut gegeven en maakt daarmee een universeel verschil. Vissen op de Kagerplassen (350 hectare) is qua maat anders vissen dan op de parkvijver van Delftse Hout (20 hectare) en dit heeft consequenties.

1. Signaalkracht

Ik maak het onderscheidt in maat, omdat bij een toename in grootte ook de afmetingen van de zones toenemen waar voor lange(re) tijd geen karper zwemt, waardoor we met een blank naar huis gestuurd worden. De logica zit hem in het feit dat wij vissers in reikwijdte min of meer beperkt zijn. Met andere woorden, de kans groeit dat vissen zich buiten ons bereik ‘verschuilen’, op plekken waar ze een veilig heenkomen vinden en voldoende voedsel, naarmate het water groter wordt.

Ook als de bezettingsgraad hetzelfde is, de hoeveelheid vis dus per m3 water, dan nog is het bovenstaande relevant, omdat op klein water, bijvoorbeeld tot enkele hectare, met een beetje bestand er altijd wel een vis bij je in de buurt zwemt. Het is soms gewoon een kwestie van wachten. Wordt het water groter, dan kan het wachten tevergeefs zijn. En in die gevallen is het zinnig om naast de lokatie uiteraard (!!!) extra aandacht te schenken aan de signaalkracht van je aas en voerstek:

• wasem-sterke grondstoffen gebruiken (volkoren tarwemeel, aardappelmeel, boekweitmeel, melkpoeders)
• kort(er) koken of stomen
• boilies knippen, halveren, crushen
• boilies voorweken (water dringt door huid => zachte kern zwelt op => drukt triggers naar buiten)
• je voerveld groot houden (groter bereik)
• formaat boilies klein houden (meer wasem-oppervlak)
• voorvoeren (vis op je stek krijgen en houden)

Meer dan alleen dat balletje 10 - Profiler deel 3

2. Grofheid afstemmen

Groter water staat traditioneel ook voor grovere vissen. Althans zolang er niet sprake is van menselijk ingrijpen, want dan gaat deze gedachte niet echt op. Door kweken en (water)management kunnen op relatief kleine wateren monsters groeien. Zij vormen echter wat mij betreft de uitzondering op de regel. En de regel is dat vissen ruimte nodig hebben om te groeien. Dus groot water creëert grote(re) vissen. Daarom zwemmen er altijd wel een paar knoeperts rond op groot water. Wild, ongeschonden en oersterk, hetgeen grootwatervissen ook zo spannend maakt.

Voor een interpretatie van het effect hiervan zou ik durven zeggen dat de grofheid van je visserij en daarmee ook het aas, toeneemt naarmate het water groter wordt. Ook dit is geen wet, maar iets wat de praktijk ons toont. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid voer dat je gebruikt tijdens je sessie. Op groot water kunnen de scholen uit meer vissen bestaan of grotere aaseters.

Migranten en passanten

3. Migranten en passanten

Naarmate het water groter wordt speelt het fenomeen migratie of het zich verplaatsen van vissen in scholen, een meer prominente rol. Op een rivier als de Lot bijvoorbeeld is het soms afwachten tot er een school vissen voorbij komt om zaken te doen. De opgave is om ze te onderscheppen, te verleiden en dan vast te houden.

Dit door bijvoorbeeld:
• een strook of (groot) veld op de route aan te voeren
• deze steeds van ruim voldoende voer te voorzien zodat de vis kan blijven hangen
• goed en smaakvol aas gebruiken… qua open deur 😉

Misschien aardig om hier te vermelden dat in de literatuur verschillende methoden bestaan om de hoeveelheid boilies te berekenen die een karper per dag kan verwerken. Een voorbeeld is een zeker percentage (3 – 5%) van de te verwachte biomassa van de karpers die je stek bezoeken. Het rekensommetje is als volgt: Stel dat er 10 karpers je stek bezoeken met een gemiddeld gewicht van 10 kilo, dan praten we over een werkbare hoeveelheid van zo’n: (10 x 10) x 0,03 = 3 kilo voer. Gaan we hoog zitten, dan is het 5 kilo per dag.

Let wel, we praten hier over vissen die vit en vitaal zijn en wiens volledige maaltijd bestaat uit jouw boilies, dus geen ander (natuurlijk) voedsel. De formule werkt dus niet echt in de winter. Ook wordt de uitkomst kritisch als er veel natuurlijk voedsel voorhanden is, er bergen witvis, steur of meerval rondzwemt, je aas niet in de smaak valt of wanneer je buurman of visser de week voor jou op de stek heeft staan storten. Maar goed, het geeft iets van referentie.

Stroming (wel/niet stromend water)

Het tweede aanknopingspunt, of een water wel of niet stroomt, kan zowel direct als indirect effect hebben op je aas. Dit om een aantal praktische redenen. Laten we beginnen met het meest vanzelfsprekende:

1. Fysieke weerstand

In stromend water moet je rekening houden met het feit dat het water beweegt. Het is dus zinvol om te kijken naar de vorm en het (soortelijk) gewicht van je aas, waardoor e.e.a. op de juiste plek komt en blijft liggen. Ik bedoel, bij een beetje stroming heeft het gewoon geen zin om bijvoorbeeld hennep te strooien, het meeste landt dan ergens ver stroomafwaarts… dus:

• gebruik aas of een voer-strategie met een zekere maat en gewicht
• beperk lichte grondstoffen in je mix (garnalenmeel, beschuitmeel, insectenmixen…)
• gebruik zwaardere grondstoffen in je mix (algengrit, negerzaad, griesmeel (rijst)…)
• verander de vorm (squares, dumbells, halfjes…)

Let wel, met name een alternatieve vorm biedt de meeste weerstand op de grond. Er bestaat naar mijn weten geen (gezonde!) grondstof die een ronde boilie zo zwaar maakt dat hij bij een beetje echte stroming blijft liggen. Gewicht helpt in die zin vooral bij het aanvoeren van je stek, waarbij het wenselijk kan zijn dat de ballen zo snel mogelijk naar de bodem zinken.

2. De wet van Stokes

In het kader daarvan is het aardig om te weten dat de (constante) valsnelheid van je boilie afhankelijk is van diens diameter (of straal). Niet vanwege het extra gewicht dat bijvoorbeeld een grotere knikker heeft, maar door het effect van de wrijvingsweerstand. Volgens de wet van Stokes neemt die snelheid namelijk kwadratisch toe naarmate de straal van de bol (boilie) groter wordt:

V = 2/9 * R2 * G * (Ps – Pl) / U
V = valsnelheid boilie
R = straal van de boilie
G = versnelling zwaartekracht
Ps = dichtheid van de boilie (massa)
Pl = dichtheid van de vloeistof (idem)
U = viscositeit van de vloeistof (kleefkracht)

De wet van stokes

Let wel, de wet van Stokes is als formule alléén accuraat voor hele kleine deeltjes (0,1 mm. of minder), maar onderbouwd (binnen grenzen) desalniettemin het feit dat grote boilies in water een hogere valsnelheid hebben dan kleine boilies, dit onder de voorwaarde uiteraard dat ze uit dezelfde materie bestaan. In sommige situaties kan dit bruikbaar zijn om je stek wat exact(er) aan te voeren. Misschien is het aardig om hier ook nog even te vermelden dat je die zelfde stroming ook in je voordeel kunt gebruiken, wetende dat wateroplosbare grondstoffen (attractoren / triggers) stroomafwaarts zo mogelijk een groter bereik hebben… 😉

3. Rijkdom voedselbronnen

Een derde, meer indirect effect van stroming richt zich op de soorten-rijkdom van het water. Het is een gegeven dat stromend water doorgaans minder verschillende soorten aan flora en fauna cultiveert dan stilstaand water. De principes die hierachter zitten zijn eenvoudig:

• stroming is niet voor elk organisme (dier & plant) wenselijk (moet je (letterlijk) tegen bestand zijn)
• stroming voert bepaalde, nuttige voedingsstoffen af (algen, plankton en detritus (dood organisme)
• stroming creëert (doorgaans) een minder stabiel klimaat (ongunstig voor sommige planten en dieren)

Niet stromend water is dus (gemiddeld) rijker aan natuurlijk voedsel voor de karper en biedt een grotere diversiteit aan voedsel(bronnen), hetgeen van invloed kan zijn op de keuze van je recept. Mogelijke consequenties zijn dan:

• stromend water vraagt om aas dat wat rijker is aan voedingswaarde
• karpers in stromend water zijn mogelijk wat minder kieskeurig (meer behoefte aan alternatieve
voedselbronnen)

4. Karpersoorten

Een laatste gedachte die ik hier zou willen delen is dat vissen in stromend water meer energie verbruiken dan vissen in stilstaand water. Ze moeten gewoon harder werken. En dit is af te lezen aan de bouw van de vissen, de hoeveelheid en het soort spierweefsel en de rassen die we er aantreffen (doorgaans meer wild dan kweek).

Evert Aalten en Ruud Jongens (auteurs van het boek: ‘Succesvol vissen op grote karper’) geven een mooi overzicht van de verschillen tussen de wilde karper en de kweekkarper, met o.a. het gegeven dat de wilde karper meer rode bloedlichaampjes, bloedsuiker en serumgehalte in zijn spierweefsel heeft dan de kweekkarper en zich eerder (of is het gemakkelijker (?!)) als carnivoor gedraagt dan zijn kweekbroeder; de absolute omnivoor onder de vissen.

Ik zeg niet dat je daarom in stromend water eerder karpers strikt met een dierlijk signaal (vismeel, insecten, Krill…) of dat je perse aan de slag moet met voedsel dat rijker is aan voedingswaarde, want dat gaat te kort door de bocht. Daarbij zijn er te veel varianten op die glijdende schaal tussen de wilde karper en de kweekkarper. Maar ik denk wel dat de gedachte hierover iets is om (per water) in je ‘mindmap’ mee te nemen. Want al zijn de verschillen in het soort voedsel dat de voorkeur heeft binnen de karper als soort beperkt, in de meer extreme situaties zijn die verschillen wel zichtbaar en aangezien we binnen de visserij met maar kleine verbeteringen tegelijk het verschil maken, denk ik dat het zinnig is om dit als overweging mee te nemen, met andere woorden:

• Karpers in (snel) stromend water => krachtvoer => meer proteïne, suikers, dierlijke grondstoffen, enz.

Profiler deel 3

Cultuur (wel/niet ongerepte natuur)

Dit laatste aanknopingspunt is wellicht in de praktijk het meest ingrijpend. De invloed van de mens op het water en de vissen is groter dan dat we doorgaans op het netvlies hebben. Althans daar waar er echt sprake is van menselijk ingrijpen of participeren. Ik doel hierbij op herkenbare thema’s als:

• de mate waarin de vissen onder (hengel)druk staan,
• de mate waarin het voedsel-patroon van de vis beïnvloed wordt,
• de mate waarin wij kennis met elkaar delen.

1. Dressuur

De vraag wat het effect is van hengeldruk ga ik op een ander moment nog een keer apart beschrijven. Het onderwerp is 1 van de 14 delen van de Profiler, dus ik houd het hier beperkt. Het fenomeen gaat over de mate waarin de vis gevoelig is voor dat wat ‘onnatuurlijk’ aanvoelt en hoe dit wijzigt naarmate de (hengel)druk toeneemt. Veel heeft een relatie met hoe we vissen (strategie, presentatie, lokatie…) en de conditionering hierdoor van de vis. Ook praten mensen over het vermogen van de karper om te associëren (geheugensporen), waardoor we slim en flexibel moeten zijn vanwege ‘lastige klanten’. Hoe dan ook, hierover later meer.

2. Gewenning

Dressuur kan lastig zijn, maar werkt soms ook de andere kant op; dan verandert dressuur (een beperking) in gewenning als voertuig om vissen te strikken. Ik bedoel, wanneer een water in de winter wordt bijgevoerd met een bepaalde grondstof of als de vissen afhankelijk zijn van alleen het voedsel dat door de vissers in het water wordt gekieperd of als restricties leiden tot veel gebruik van één soort aas… dan kan je je voorstellen dat de vis vertrouwd raakt met dat voedsel en dat het dus zinvol kan zijn om jouw knikkers daar op aan te sluiten. Ik denk dat hier geen verdere toelichting nodig is.

Meer dan alleen dat balletje 10 - Profiler deel 3

3. Kennis delen

Maar goed, dressuur en gewenning zijn vervolgens onlosmakelijk verbonden met dit derde thema, namelijk de kennis die we met elkaar delen. Kennis van de geschiedenis van het water, het soort bestand dat er zwemt, de ervaringen van derden, wijze van (bij)voeren… Het is precies dit vermogen van de mens dat een zo krachtig wapen vormt bij het creëren van een zeker beeld van de eventuele gedragingen van de vis en daarmee het programma voor jouw recept.
Dus vrees niet en laat je waar mogelijk goed informeren. Iemand helpen is altijd goed en zo ook om hulp vragen… toch?! Je hoeft niet alles zelf te bedenken, al geeft dat uiteindelijk wel een hoop voldoening… 😉

Tot zover mijn gedachten over de effecten ten gevolge van het soort water waar je zit. Ze geven je wellicht iets om verder over na te denken. Let wel: het bovenstaande vormt slechts 1 van de 14 delen van de Profiler, dus staar je er niet blind op, want er komen nog meer stukjes van de puzzel waar we ons zo graag mee bezig houden. Wordt vervolgd in het 4e deel van de Profiler: Welke dieptes kent jouw water?

 

Advertentie:

 



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *