Meer dan alleen dat balletje (14)

Meer dan alleen dat balletje (14) - Bestand

In zijn column ‘Meer dan alleen dat balletje‘ vertelt Carli Driessen van MyBoilie over zijn (eigenzinnige) visie op aas. Hij gaat uitgebreid in op de eigenschappen van boilies en de verschillende ingrediënten die hierin verwerkt kunnen worden. Daarnaast legt hij de behoeften van de de karpers uit aan de hand van praktijkvoorbeelden en ervaringen. Als aas je interesseert mag je deze column niet missen! In deze aflevering staat de grootte en opbouw van het visbestand centraal. Vorige aflevering gemist? Je leest hem hier.

 

Advertentie:

CC Moore  



Profiler deel 8 & 9: Wat is de grootte & opbouw van het bestand?

Laat ik beginnen met dat de titel van dit onderwerp ietsje is aangepast. De vraag is nog steeds hetzelfde, maar door de twee thema’s meer als één geheel te benoemen, past hij beter bij mijn verhaal. Alleen samen vormen zij namelijk een interessante casus. Ik zal dit kort toelichten.

Net als in deel 2 van de Profiler, waar ik schreef over de invloed van tijd, speelt óók bij de grootte van het bestand het fenomeen attractiviteit een belangrijke rol. Het is eigenlijk hetzelfde vraagstuk, maar benadert vanuit een ander perspectief. Beiden gaan over de wijze waarop we meer of minder aantrekkingskracht genereren; signalen kunnen zenden. Ik vergelijk in dat artikel dit tweaken van je aas met de werking van een equalizer.

bestand: Door met de schuifjes te spelen bepalen we de mate van attractiviteit.
Door met de schuifjes te spelen bepalen we de mate van attractiviteit

Elk van de 15 schuifjes vertegenwoordigt een bepaald onderdeel van ons aas waarmee je meer of minder de aandacht kunt trekken. De gedachte is simpel: bij weinig tijd (of een klein karper-bestand) zoek je een configuratie die leidt tot hoge aantrekkingskracht, maar bij veel tijd (of een groot karper-bestand) is dat niet perse nodig, dus kan je ook op zoek naar een configuratie met juist weinig aantrekkingskracht. De praktijk is iets meer genuanceerd natuurlijk en kent ook andere overwegingen, maar hier komt het in principe wel op neer.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat het vraagstuk omtrent de grootte van het bestand op zichzelf dus weinig nieuws brengt. Het stuurt aan op eenzelfde opgave: spelen met attractiviteit. Daarom koppel ik deze vraag ook aan het soort van vis. Zo komt er namelijk een nieuw aspect om de hoek kijken, die van de selectiviteit. En nu wordt het interessant! Want attractiviteit is namelijk óók een criterium waarop we kunnen selecteren. Maar laat ik niet te ver vooruit lopen…

Hoe benaderen we selectiviteit?

Selectiviteit is eerlijk gezegd geen gemakkelijk onderwerp. Het is voor velen een bron van ergernis waar de praktijk geen waterdichte oplossingen voor heeft. Er bestaan genoeg theorieën, maar er is altijd wel een voorbeeld die het tegendeel lijkt te ‘bewijzen’. Ik heb dan ook niet de pretentie hier verandering in te brengen.

Wat ik wel kan doen, is je de criteria tonen die ik zelf gebruik om te selecteren. Ze zijn op een bepaalde manier georganiseerd waardoor ik wat overzicht hou. In combinatie met je eigen ervaringen kan het wellicht ook jou helpen bij het vormen van een strategie. De opbouw is als volgt:

  1. Het soort vis
  2. Het soort gedrag
  3. Het karakter van je aas
  4. De fysieke eigenschappen van je aanbieding

Elk van deze criteria biedt ons aspecten op basis waarvan we kunnen selecteren. Sommige selecteren heel algemeen en anderen meer specifiek. Geen van hen werkt 100%! Ik zal je een beeld geven van hoe ik deze vier criteria voor mijzelf typeer en van inhoud voorzie.

Strategisch denken hoort bij onze visserij.
Strategisch denken hoort bij onze visserij

1. Het soort vis

Het eerste criterium waarop je kunt selecteren is door de vis in soorten te verdelen. Ik hanteer een deling naar vier families:

  • Karperachtigen: waaronder de brasem, voorn, barbeel, zeelt, kroes- en graskarper
  • Steurachtigen: waaronder de Europese-, Siberische- en Russische steur
  • Meervalachtigen: waaronder de Europese-, kanaal- en dwergmeerval (zwart en bruin)
  • Kreeftachtigen: waaronder de Europese en Amerikaanse (rivier)kreeft en diverse krabben

Elke familie kent zo z’n specifieke eigenschappen op basis waarvan je kunt proberen om ze uit te sluiten. Ik noem de meest relevante: De steur kan alleen vooruit zwemmen. Ze hebben hierdoor relatief veel ruimte nodig. Daarbij zwemmen ze laag over de bodem met hun ‘stofzuiger’ naar beneden gericht. Het liefst langs de randen van open water en gebieden die vrij zijn van obstakels. Dit om te voorkomen dat ze er met hun beenplaten in vast blijven zitten. Samen met de wetenschap dat ze van koel, helder, stromend en zuurstofrijk water houden, geeft dat aanknopingspunten om deze bijvangst door middel van stekkeuze en presentatie wat te reduceren.

De auteur met een flinke steur!
Een indrukwekkend dier, gevangen tegen de rand van een groot wierbed

De meerval is van de vier families het meest een roofvis. En al slurpen ze met die ‘pedaalemmer’ bijna alles op, hun voorkeur gaat uit naar dierlijk en levend aas. Selecteren begint hier door alle vismelen, pellets of ander voedsel dat een sterk dierlijk signaal afgeeft (wormen, maden, insecten ed.) thuis te laten. Het is géén waterdichte oplossing, ik weet het, maar het reduceert iets.

Hmmm… deze had z'n muil vol met zoete noten-boilies?!
Hmmm… deze had z’n muil vol met zoete noten-boilies?!

De kreeft (en krab) behoort tot de geleedpotigen. Het is dus geen vis en zoekt zijn voedsel voornamelijk direct op de grond. Alles wat we ver genoeg van de grond aanbieden is in die zin ‘veilig’. Ook kan hij jouw boilie alleen in stukjes verwijderen. Dus door je aas te beschermen (boiliewrap, bait cage, armamesh, panty ed.) of aas te kiezen dat sterk genoeg is om die scharen voor een tijdje te weerstaan (kunstaas, tijgernoten, hard-hookers (versterkt m.b.v. een suiker- of zoutoplossing), kom je een eind.

Ik sla hier verder alles wat leeft onder de familie van de karperachtigen over. Deze vissen maken immers deel uit van dezelfde familie, dus is er vanuit dit criterium geen verschil te benoemen.

bestand: De lijn lag in ieder geval op de bodem.
De lijn lag in ieder geval op de bodem.

2. Het soort gedrag

Het tweede criterium waarop we kunnen selecteren is het soort gedrag. Dit nu uitsluitend binnen die karperachtigen, want de andere families hebben we reeds ‘uitgesloten’. Ten behoeve van deze selectie is in mijn beleving het volgende het meest relevant:

Vissen zijn kuddedieren. Dit betekent dat ze gevoelig zijn voor wat de groep doet (paaien, eten, migreren, enz.). De karper echter, met name de oudere exemplaren, toont óók vormen van solitair gedrag. Door hierop in te spelen is selectie mogelijk. De meest beproefde methoden zijn:

  • je haakaas buiten een compacte en attractieve voerstek aanbieden
  • juist héél verspreid voeren (groot voerveld!) om die concentratie van ‘foute vis’ te mijden
  • gewoon niet voeren… dus single hookbait vissen

In het verlengde hiervan bevindt zich het fenomeen preoccupatie; de individuele voorkeur van een vis. Deze eigenschap kan ertoe leiden dat een bepaalde vis voornamelijk op een specifiek soort aas gevangen wordt. In zekere zin is ook hier sprake van een selectiemiddel, alleen zó specifiek dat je het niet kunt gebruiken in een algemene strategie. Dit valt meer onder de uitzonderingen die je zelf zult moeten ontdekken.

Ook de zwaan zoekt zijn/haar voedsel buiten de voerstek.
Ook de zwaan zoekt zijn/haar voedsel buiten de voerstek.

3. Het karakter van je aas

Zoals ik al schreef is die attractiviteit, die een rol speelt bij de grootte van het bestand, óók een criterium waarop we kunnen selecteren. Dit derde criterium gaat namelijk over de wijze waarop we met die ‘schuifjes’ spelen. Inhoudelijk verwijs ik hiervoor naar deel 2 van de Profiler. Ik zelf zet hier vervolgens de volgende twee onderwerpen op de voorgrond:

1. Alles wat de aantrekkingskracht van je aas versterkt, brengt mogelijk meer (soorten) vis op je stek. Dus vanuit het oogpunt van selectiviteit is het goed om bij de aanwezigheid van veel andere soorten vis, die attractiviteit wat te drukken:

  • gebruik een neutrale mix/receptuur (liever geen vismeel of hele zoete ingrediënten)
  • beperk de geur- en smaakstoffen die wateroplosbaar zijn
  • beperk de wasemkracht (minder wateroplosbare ingrediënten en langer koken/stomen)
  • val minder op qua kleur (zie deel 4 & 5 van de Profiler)
  • vermijd bewegend aas (geen maden of wormen)
  • vermijd aas dat geluid geeft bij consumeren (geen zaden, oestergrit, gemalen eierschalen, enz.)

2. Van sommige aassoorten gaat iets van selectie uit. En al begeven we ons hier op glad ijs, het is toch zinvol om met de volgende twee wat te experimenteren:

  • harde noten (tijger, para, pinda)
  • scherpe kruiden (pepers…!), dus géén knoflook, kerrie, robin red ed.)
Vanuit het oogpunt van selectie een interessante combinatie: spicy tijgernoten.
Vanuit het oogpunt van selectie een interessante combinatie: spicy tijgernoten

4. De fysieke eigenschappen van je aanbieding

Dit vierde en laatste criterium wordt in de praktijk het meest effectief toegepast. Alles draait hier in feite om ervoor te zorgen dat alleen de juiste vis zich haakt. Wederom gelden hier géén garanties, maar in de praktijk wel een aantoonbaar effect. Je kunt hier inhoud aan geven door te spelen met:

  • een langere hair gebruiken (afhankelijk van het soort rig)
  • grotere boilies op je hair (max. 28-30 mm)
  • meerdere boilies of partikels op je hair (string)
  • soorten haakaas combineren op je hair (snowman, kebab…)
  • ruimte vrij houden tussen de voedseldelen op je hair

Hier geldt wel dat je praktisch moet blijven nadenken. Ik bedoel, grover haakaas kan zowel de witvis als ook de werking van je rig belemmeren. Je moet hier dus een balans in vinden en de fysieke eigenschappen van je aanbieding blijven controleren. Ook vind ik het zelf zinvol om uit te gaan van een ‘worst case scenario’. Met andere woorden, wat gebeurt er als een voorn of kreeft mijn aas sloopt? Wat houd ik over? Het geeft sturing aan de opbouw van je rig.

Zo blijft mijn rig inspelen op ‘zicht’ als die kreeft het kwetsbare deel er tussenuit sloopt.
Zo blijft mijn rig inspelen op ‘zicht’ als die kreeft het kwetsbare deel er tussenuit sloopt

Kijk op de praktijk

Het is goed om je te realiseren dat het bovenstaande in feite aangeeft dat de discussie omtrent aas niet (alleen) gaat over goed of slecht. Er is ook die keuze vanuit een strategie. Voor alle duidelijkheid, een totaal waardeloze boilie doet natuurlijk niet zoveel. En ‘lekker’ is in principe altijd beter dan ‘vies’. Maar ‘neutraal’, in de zin van minder attractief, weinig expliciet in smaak, beperkt qua voedingswaarde en geen overdreven signaalkracht, kan in sommige gevallen goed uitpakken.

De context van de praktijk waarin wij ons bevinden, beweegt zich daarbij tussen twee uitersten:

  • Een groot bestand aan karper zonder mogelijkheid tot bijvangsten
  • Een klein bestand aan karper met juist heel veel mogelijke bijvangsten

Kennis van de grootte en opbouw van het bestand is dus relevant als onderdeel van de Profiler. Het biedt ons een referentie op basis waarvan wij de middelen uit bovengenoemde vier criteria strategisch kunnen inzetten.

Humor; het enige echte middel tegen een nacht lang brasem trekken 😉👊
Humor; het enige echte middel tegen een nacht lang brasem trekken 😉👊

Wat ik hier niet besproken heb is het selecteren van de vis binnen het karperbestand zelf; dus grote karper versus kleine karper. Dit onderwerp heb ik reeds behandeld in deel 5 van ‘Meer dan alleen dat balletje’.

Verder zijn er bepaalde nuances, zoals bijvoorbeeld het verschil in voorkeur van een graskarper (meer herbivoor), kweekkarper (omnivoor) of wilde karper (meer carnivoor), waar we nog iets van kunnen vinden. Maar ik ben van mening dat vanuit het oogpunt van de 80-20 regel (deel 2 van “Meer dan alleen dat balletje”) het beter is om dit hier buiten beschouwing te laten. Het raakt de complexiteit en onvoorspelbaarheid van de natuur die we wellicht nooit helemaal zullen begrijpen.

Dit zijn mijn bespiegelingen over die grootte & opbouw van het bestand. We gaan binnenkort verder met deel 10 van de Profiler. Daar staat de vraag centraal: wat is het effect van hengeldruk op ons aas? Ook deze vraag is niet zo gemakkelijk. Maar het punt blijft, dat de mate waarin vissen gevoelig zijn (dressuur) en dus op een bepaalde manier reageren, van invloed kan zijn op wat wij hen als voedsel voorschotelen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *