Natuurbeheer en Karperbeheer (deel 2)

Vorige week plaatste we deel 1 van het artikel "Natuurbeheer en Karperbeheer". In dit artikel werden de verschillende type wateren met de daarbij behorende populatie beschreven. In het artikel van vandaar wordt er dieper op deze zaken ingegaan, met name het beheer.



Algemeen

Het visstandsbeheer in Nederland bestaat op dit moment teveel uit alleen uitzettingen of niets doen. In het natuurbeheer is uitzetten een hoge uitzondering. Men streeft zoveel mogelijk naar zelfregulatie met alleen enige bijsturing. Bijsturing is in ons weinig natuurlijke landje echt nodig. Echte natuur beheert zichzelf door het ene beest wat het andere eet, door grazers die gebieden open houden en door stormen en rivieren etc die hele delen openslaan zodat de hele natuurlijke successie van open land of water naar bos weer opnieuw kan beginnen en er derhalve een soortenrijke en gevarieerde natuur blijft bestaan. Aangezien dit soort natuurlijke processen in een  door de mens vastgelegd landschap niet meer plaatsvinden, pleegt de Natuurbeheerder ‘beheer’ om deze natuurlijke variatie op een kunstmatige manier in stand te houden. Hij gaat maaien of laten begrazen om grasland of heide te behouden, baggeren om water te behouden etc. Het beheer is er op gericht om de juiste omstandigheden te scheppen en of in stand te houden zodat de soorten vervolgens zichzelf in stand kunnen houden. Niet ideaal doch zoals gezegd het kan niet anders in ons aangeharkte landje.


Het gaat om het creëerden van de juiste omstandigheden

Visstandsbeheer zou mijns inziens ook vooral moeten bestaan uit dergelijk voorwaardenscheppend beheer. Het water en zijn oevers zodanig beheren dat er zich vanzelf een goed en gevarieerd visbestand kan opbouwen.  Daarnaast zijn periodieke kleine uitzettingen of soms juist ook afvissingen in ons onnatuurlijke landje onontbeerlijk. Hoe dit zou kunnen wordt hieronder per watertype uiteengezet.


Het beheer van Ondiepe wateren

Prioriteit 1 lijkt mij het redden van de boerenkarper, zoals gezegd is deze bijna uitgestorven. Voor zover ik weet heeft dit weinig aandacht, ik las zelfs op een karperforum, ‘dat er geen markt is voor de boerenkarper’. Mensen dit is toch schandalig, we willen alleen ‘bakken’ en spiegels en de echte wilde vis laten we stikken. Dit kan toch niet!!


Er zijn niet veel  boerenkarpers meer...

De hoofdoorzaak van z´n verdwijning lijkt me gewoon heel simpel de verdringing door schubs en spiegels. Wat nodig is om hem te redden.

Nader onderzoek naar het (genetisch) onderscheid tussen de echte boerenkarper en bv de (verwilderde) schub. Misschien een schone taak voor studenten van bv universiteiten en de sportvisacademies van ons land. Een inventarisatie, liefst landelijk, door alle hengelsportverenigingen d.m.v. een oproep aan hun leden. Waar zitten ze nog en hoeveel en hoe zuiver. Dit vervolgens door deskundigen laten verifiëren.

De gebieden die veelbelovend zijn, aanwijzen als reservaat en isoleren. Vaak zullen het polders zijn en deze zijn al geïsoleerd. Vervolgens alle of zoveel mogelijk schub spiegel, giebel en koi wegvangen. Losse exemplaren vangen en ermee gaan kweken. Zijn er nog boerenkarpers waarmee de OVB destijds z´n 25% wildbloedhybriden kweekte? De aanwas van 3 en 4 gebruiken om andere veelbelovende gebieden aan te vullen.


Karpers paaien ook in Nederland

De belangrijkste beheersmaatregel die nodig is op ondiepe wateren is baggeren. De strenge winters van de laatste jaren lieten op veel  ondiepe wateren een enorme vissterfte zien. Door de ondiepte blijft er al snel te weinig water over onder het ijs voor de vis. Tevens vraagt een dikke baggerlaag zuurstof voor de erin plaatsvindende rottingsprocessen waardoor er nog minder zuurstof overblijft voor de vissen onder het ijs. Het is dus van groot belang om tijdig te baggeren. Op de meeste wateren zal baggeren niet onder de verantwoordelijkheid van de plaatselijke hengelsportvereniging vallen. Meestal is de eigenaar of beheerder de Gemeente of een waterbeheerder als een waterschap of waternet.

Ik vind het wel aan de hengelsportverenigingen om de noodzaak tot baggeren in het veld te signaleren en hierop aan te dringen. De beherende instanties zullen er niet happig op zijn want baggeren kost veel geld. Ook zal er, als er dan toch gebaggerd wordt, vaak te rigoureus gewerkt worden, alleen gericht op de waterbeheersing. Juist hier kan met de plaatselijke natuurinstanties een blok gevormd worden om samen te pleiten voor een vorm van baggeren die rekening houdt met de natuur. In dit geval geldt dat wat goed is voor de natuur als geheel, ook goed is voor de vissen. Natuurvriendelijk baggeren houdt bv in: niet een heel gebied tegelijk baggeren maar in delen zodat dieren kunnen vluchten, liefst in eind zomer begin herfst als de voortplanting voorbij is maar de dieren ook nog niet in winterrust zijn en dus kunnen vluchten, het.water niet teveel uitdiepen omdat juist voldoende oppervlakte echt ondiep water (60 cm of minder) essentieel is als paaigebied en ook voor andere dieren en oeverplanten heel belangrijk. Aan de andere kant is het juist ook belangrijk om voor enkele wat diepere delen (ongeveer 1m a 1.20) te zorgen als overwinteringsgebied voor de vissen en bv voor duikvogels. Het zou me een goed idee lijken als Sportvisserij Nederland eventueel met hulp van studenten van de sportvisacademies liefst samen met natuurorganisaties een educatieve folder ontwikkelt voor waterbeheerders over natuurvriendelijk baggeren, heel praktisch ,met diepten, periode, welke machines etc.


Baggeren is erg duur

Wat betreft soortenbeheer. Het gunstige op deze wateren is dat de karper zich er goed voortplant. Dit is tegelijk een probleem. De karper gaat domineren en andere soorten als zeelt, boerenkarper en kroeskarper verdringen. Tevens blijft de  groei  van de karper achter door  het hoge bestand. Het kan derhalve een goede beheersmaatregel zijn om af en toe wat karper af te vangen. Ik denk dan aan vissen tussen de 40 en 60 cm. Daar zijn er meestal erg veel van en juist deze vissen concurreren door hun vergelijkbare grootte met de andere soorten. Mits het gezonde vissen zijn kunnen deze vissen uitstekend worden gebruikt als pootvis op andere wateren. Kom ik later op terug. Ook met deze beheersmaatregel zal de plaatselijke natuurorganisatie geen moeite hebben, het is immers gericht op een gevarieerder visbestand. Voor ons vissers levert het iets minder maar wel grotere karpers op!


Het Beheer van Boezemwateren

Zoals gezegd is het grote probleem van deze wateren dat ze zeer onnatuurlijk zijn (bakken water meer niet) met vaak een zeer eenzijdig visbestand gedomineerd door brasem. De karper plant zich er wel voort maar, kiele kiele, en de vissen hebben de neiging om klein en slank te worden.


Ondiepere paaigebieden zijn erg belangrijk

Deze wateren schreeuwen om aanleg van ondiepere paaigebieden. Zo worden er soms al zgn nvo’s, natuurvriendelijke oevers aangelegd. Je kent ze wel, van die ondiepe beplante oevers en bakken met riet en zo. Uit onderzoek van Sportvisserij Nederland naar enkele grotere van deze nvo’s langs kanalen in ons land, is gebleken dat er in en nabij deze nvo’s meer vis en meer soorten vis aanwezig was dan in de rest van het betreffende kanaal. Dat is een mooi resultaat, echter, om tot een betere voortplanting  van karper te komen zullen zij- sloten of vaarten of meertjes moeten worden ingericht of aangelegd als paaigebied. Een zijwater warmt door z’n geïsoleerde ligging sneller op dan een natuuroever die eigenlijk gewoon deel uitmaakt van het kanaal zelf. Ook een diepere zijvaart van zeg 1m warmt nog niet snel genoeg op.

Van het voorbeeld van de ondiepe wateren weten we dat alleen  wateren van ong 60cm of minder snel genoeg opwarmen om voor een vroege paai en daarmee voor een goede voortplanting te zorgen. En wederom zouden dergelijke ondiepe zijsloten en meertjes ook voor de natuur als geheel zeer waardevol zijn. Het zouden eigenlijk een soort natuurbouw- of natuurontwikkelingsprojecten zijn. Hier zijn er inmiddels al heel wat van in Nederland en de resultaten zijn meestal verbijsterend goed. Een klein stukje plas-dras en ondiep water doet een explosie van natuur ontstaan. Ook in dit streven zal men dus een grote bondgenoot vinden in natuurorganisaties. Het meest geschikt zijn reeds bestaande zijsloten, vaarten en meertjes met gelijk waterpeil die niet van belang zijn voor het vaarverkeer of voor de waterbeheersing (doorstroming). Als deze te diep zijn kunnen ze verondiept worden tot ongeveer 60 cm met plasdras oevers, met grond of heel praktisch met bagger uit nabije wateren die anders toch afgevoerd moet worden. Andere mogelijkheden die veel meer geld en moeite kosten zijn overhoekjes land tussen de boezem en betreffende dijk. Hier kunnen als natuurbouwproject kleine tot middelgrote zijmeertjes worden aangelegd. Langs de grote rivieren zijn al dergelijke projecten aangelegd in de vorm van (her)uitgegraven zijarmen in de uiterwaarden.


Wachtend op een nieuw thuis

Toch zal het op deze eenvormige boezemwateren praktisch vaak heel moeilijk blijken om deze ontwikkeling van paai- en natuur gebieden voor elkaar te krijgen.  Vandaar dat enig soortenbeheer in de vorm van uitzettingen of juist afvissingen vaak nodig zal blijven.

De enorme dominantie van brasem kan op deze wateren een ontwikkeling naar een soortenrijker visbestand behoorlijk belemmeren. Periodiek afvissen van de excessen aan brasem kan een goede beheersmaatregel zijn. Ik weet dat hier vaak enorme weerstand tegen is binnen vissend Nederland. Waarom? Er is echt brasem zat en men vergeet vaak dat wij mensen altijd in de geschiedenis een belangrijke predator van vis zijn geweest door te vissen voor de eet. Nu moet uit principe ineens alle vis terug terwijl we wel naar de visboer gaan voor een lekkerbekje. Niet erg reëel of genuanceerd. Natuurlijk mag dit ook geen vrijbrief zijn voor ongelimiteerd afvissen, nee gewoon beheerst afromen van de excessen, misschien is het mogelijk om dit in goed overleg en met controle op door een beroepsvisser te laten doen.


Op sommige wateren is de brasem is erg dominant

Misschien is Sportvisserij Nederland zo huiverig voor afvangen van brasem omdat men bang is dat waterbeheerders dan alle brasem en ook karper willen afvangen.  Onder veel waterbeheerders leeft  namelijk de opinie dat karper en brasem door het omwoelen van de bodem een verbetering van de waterkwaliteit en daarmee een soortenrijker ecosysteem in de weg staan. Het afvangen van vis als vorm van beheer heet trouwens abb, actief biologisch beheer. Persoonlijk vind ik afvangen  van brasem en karper om omwoeling te voorkomen een vreemde beheersmaatregel. Er is op de meeste boezemwateren  sowieso al al veel omwoeling door  de vele scheepvaart. Baggeren zou in dit verband een betere beheersmaatregel zijn en het afvangen van karper zou echt een grote fout zijn want die weet zich hier al maar net te handhaven. Het gaat  mij echt alleen om de overschotten aan brasem die afgevangen zouden kunnen worden, en wel periodiek , en niet om omwoeling te voorkomen doch om andere visoorten meer ruimte te geven. Tot zover de brasem.

Wat betreft de karper op deze wateren weet de schub zich in kleine hoeveelheden te handhaven door spontane voortplanting, waarbij ze op veel wateren wel langzaam kleiner en slanker worden. Spiegel plant zich op deze wateren helemaal nauwelijks voort. Om hoger gebouwde schubs en spiegels in het algemeen te behouden zal dus enige uitzetting moeten plaatsvinden. Op dit moment krijgt de spiegel wel de steun die hij nodig heeft in de vorm van de spiegelkarperprojecten maar de schub niet. Jammer vind ik, eenzijdig en niet eerlijk. Mijns inziens is een natuurlijk karperbeheer juist hoofdzakelijk gebouwd op schub. Deze soort staat dichter bij de wilde soort en dit wordt in de praktijk ook bewezen doordat de schub zich zonder onze hulp wel weet te redden en de spiegel niet. Op de ondiepe wateren gaat het de schub zelfs zeer goed af en weten zelfs de zwaarder gebouwde typen zich goed te handhaven. Strikt volgens de regels geredeneerd hoort de spiegel zelfs helemaal niet in de natuur in Nederland thuis. Het is een door mensen gekweekt zwak huisdierenras.


Een 'echte' polderschub

Toch zou ik het zelf ook doodzonde vinden als ze zouden verdwijnen, niet in de laatste plaats omdat ze vaak bloedmooi zijn, wat dacht U van een puntgave strakke rijen of een bak van een naakteling. Wat kunnen we dan aanvoeren als verdediging van het behoud van de spiegel in onze wateren?

1. Een spiegel is dus niet natuurlijk, niet ecologisch. Een kleine hoeveelheid spiegels is echter wel ecologisch verdedigbaar (subtiel verschil). De spiegel kan nooit een plaag worden omdat hij zichzelf niet voortplant. Je hebt de hoeveelheden dus zelf in de hand. In klein aantal zullen ze ook geen negatieve gevolgen hebben voor de wildere schubs (door bv verzwakking van het bloed van de schubs) en voor andere soorten door bv voedselconcurrentie.

2. De spiegel zwemt hier al heel lang. Eigenlijk al sinds de middeleeuwen toen hij door monniken werd gekweekt voor de eet. Al zolang dat hij er bij is gaan horen. Het is dus meer een vorm van cultuurbehoud, van traditie. Een heel legitieme reden.

3. De spiegel kan door z´n unieke herkenbaarheid zeer waardevolle onderzoeksgegevens opleveren zoals de spiegelkarperprojecten nu al bewijzen.

En last but not least

4. Er is een groot leger van sportvissers die heel graag zo´n beauty wil vangen en die mogen toch ook wel een stem hebben!

Veel spiegelliefhebbers noemen ook dat een spiegel snel groot en zwaar wordt. Ik vind dit niet zo´n goede reden omdat schubs, zeker met wat ondersteuning net zo groot en zwaar worden als spiegels.


Wij willen alleen maar dikke spiegelkarpers

Maar goed, er blijven genoeg redenen over voor het handhaven van een klein aandeel spiegels. Maar wat is dan  een klein aantal??? Ik heb gezocht naar wat de spiegelkarperprojecten nastreven. Ik heb het niet kunnen vinden. Ik vond ergens 30% bij wijze van voorbeeld, maar het verschilt per project geloof ik. Zoals eerder gezegd, valt het populatiepercentage spiegel moeilijk te bepalen. Het vangstpercentage wel. Mij persoonlijk lijkt dat je niet verder zou moeten gaan dan 20% van het vangstpercentage. Het populatiepercentage spiegel zal dan  vermoedelijk ongeveer 10% bedragen. Ik neem aan dat nu alle spiegelliefhebbers op hun achterste benen gaan staan. 1 op de 5 vissen die je vangt maar een spiegel! Dat is toch veel te weinig! Persoonlijk vind ik 1 op de 8 à 10 vissen al genoeg, dan vind ik zo’n spiegel een echt snoepje, een icing op de cake. Toen ik afgelopen jaar op de boezem 2/3 spiegel ving, bemerkte ik bij mezelf dat ik dacht, alweer zo’n spiegelding, wanneer nou weer eens een mooie strakke schub. Ik vind ze allebei mooi doch als ik moet kiezen, vind ik uiteindelijk een schub toch mooier. En ik ben niet de enige. Ik ken veel meer collega-vissers die hetzelfde vinden. Rolf Bouman met z’n boezemberen, etc. Maar mensen, dit is alles slechts persoonlijke voorkeur, smaak. Het gaat om de feiten!!


Verse uitzet

De spiegelkarperprojecten laten zien dat slechts kleine uitzettingen jaarlijks verspreid over de boezem nodig zijn om een behoorlijk bestand op te bouwen mits het overlevingspercentage van de vissen in het eerste jaar goed is. Dit wordt bevorderd door alleen gezonde vissen los te laten. Persoonlijk denk ik  dat ook het uitzettijdstip van invloed kan zijn. Op dit moment wordt in de winter uitgezet. Ik begrijp dat de voornaamste reden hiervan is dat dan de vis beschikbaar komt van de kweker. Als buitenstaander vind ik de winter een vreemd tijdstip. Alle standvissen liggen dan al in hun winterkwartieren en grote delen van het water zijn leeg.  De uitgezette vis zal dus ver moeten zwemmen, weg van de stressvolle uitzetplek op zoek naar soortgenoten en dat in koud water waar nagenoeg geen voedsel  is om de stress van de uitzet te verwerken. Misschien is dit een verklaring voor de grote afstanden die de uitgezette spiegels meestal meteen afleggen alvorens zich te settlen. Augustus-september lijkt mij een beter tijdstip, de standvissen zijn dan uitgerust en genezen van de paai en beginnen aan hun voorbereiding op de winter. De standvissen liggen in die tijd van het jaar ook veel verspreider en er is nog warmte en voedsel genoeg. Het lijkt mij dat de uitgezette vissen nu de uitzet sneller kunnen verwerken en zich ook dichter kunnen aansluiten bij soortgenoten waardoor de spreiding van de uitgezette vissen ook beter intact blijft.

Op dit moment wordt eigenlijk alleen kweekvis uitgezet. Waarom eigenlijk?  Als we in de vorm van onze ondiepe wateren natuurlijke kweekvijvers in ons bezit hebben. Er is zelfs vaak een overschot op deze wateren. Ik begrijp dat men vreselijk bang is voor overbrenging van ziekte. Onterecht lijkt me, ik heb begrepen dat het ook heel moeilijk is om echt ziektevrije kweekvis te kopen. Mij lijkt juist dat een kweekvis eerder ziek en zwak is omdat ze vaak in hoge dichtheden met onnatuurlijk mensenvoer opgekweekt zijn in een onnatuurlijk hoog tempo. Veel kweekvissen zijn eigenlijk plofkarpers. In ieder geval lijkt het mij de moeite waard als deskundigen van bv de spiegelkarperprojecten eens een proefafvisserij zouden doen op een Nederlands water dat bekend staat om z n goede voortplanting en gezonde vissen. Deze vissen zelfs eventueel in laboratoria te laten testen op ziekte en eens een proefuitzetting in de boezem te doen. Men zet dan echte geharde natuurvissen uit van Hollandse bodem! Dit zal dan natuurlijk schubs betreffen en dat is misschien ook een reden waarom alleen vis wordt gekocht. Op dit moment worden namelijk vooral spiegels uitgezet en gezonde spiegels van natuurlijke voortplanting zijn bijna niet te vinden.


Kweekvis

Mocht het  uitzetten van deze Hollandse wilde karpers goed gaan dan denk ik dat er net als voor het uitzetten van de spiegels nu,  voldoende vrijwilligers te vinden zijn om hieraan mee te werken. Het is nml leuk om te doen. Een ander voordeel is dat men zelf het tijdstip van uitzet kan bepalen en niet afhankelijk is van de kweker. Het lijkt me niet zinvol om deze vissen voor uitzet te fotograferen. Jonge schubs zijn vrijwel niet individueel herkenbaar. Mijn ervaring is echter dat ook schubs vanaf ± 65 maar zeker 70 cm goed individueel herkenbaar worden door beschadigingen, scheve schubjes e.d . Een schubkarperproject met een kleine ‘s’ waarbij alleen gevangen schubs  van zeg 70cm of  meer worden gearchiveerd  moet denk ik wel tot de mogelijkheden behoren.  Bedenk dat op veel wateren de grote schubs zelfs namen hebben. Op deze manier is echter geen onderscheid mogelijk tussen vroeger uitgezette schubs, verwilderde schubs uit spontane voortplanting of deze nieuw uitgezette schubs.


Beheer van Zandwinplassen

Voor wat betreft het voorwaardenscheppend beheer geldt grotendeels hetzelfde als voor de boezemwateren. Ook hier zal getracht moeten worden, zo mogelijk in samenwerking met betreffende natuurinstanties, om de waterbeheerder te stimuleren om ondiepe zijwateren of oevers aan te leggen ten behoeve van paai en natuurontwikkeling in het algemeen.


Een typische zandwinning

Ook hier zal gedeeltelijke afvanging van brasem soms bevorderlijk kunnen zijn voor een gevarieerder visbestand in het algemeen en voor een groter karperbestand in het bijzonder met ook meer kans op zware vissen. Zandwinplassen zijn van nature vaak voedselarm waardoor de concurrentie met grote hoeveelheden brasem voor de karper maar ook voor andere vissen vaak groot kan zijn.

De natuurlijke voortplanting van de karper is hier heel moeilijk waardoor uitzettingen echt nodig zijn. De geschiedenis heeft geleerd dat grote uitzettingen leiden tot veel maar kleine vis. Tevens wordt de karper dan veel te dominant en gaat de ontwikkeling van andere vissen en waterplanten, kortom een waardevol gevarieerd watersysteem, teveel remmen. Geen of kleine uitzettingen leiden tot zeer weinig maar wel grote vissen, wel met veel kansen voor andere soorten en(te)veel wier. Ik denk dat het beter is om er wat tussenin te gaan zitten. Een natuurlijke populatieopbouw is een piramide d.w.z. veel jonge kleine vissen, wat minder gemiddelde vissen en weinig grote oude vissen. Een dergelijke populatieopbouw is ook bevorderlijk voor een goede natuurlijke voortplanting. De jonge en middelbare vissen zorgen voor de meeste voortplanting. Op dit moment bestaat het bestand  op veel zandwinplassen voornamelijk uit grote oude vissen. Deze paaien altijd later dan hun jonge soortgenoten en zijn vaak ook minder vruchtbaar. Bij ons mensen gaat het ook beter op jonge leeftijd. Dit alles maakt dat op deze diepe wateren gemiddeld wat grotere uitzettingen nodig zijn dan bv op de boezem


Het resultaat van natuurlijke voortplanting

Mits het afgesloten wateren betreft zijn deze wateren ook geschikt voor een wat hoger percentage spiegel. De spiegels kunnen er niet vanaf om eventueel andere wateren te ‘infecteren’ met hun onnatuurlijk bloed.


Tot slot

Ik heb gezien op internet dat de spiegelkarperprojecten zich aan het omvormen zijn tot de BVK ofwel de Belangenvereniging Verantwoord Karperbeheer. Ik meen te zien dat zij nu de belangen van zowel spiegel als schub gaan verdedigen. Ik lees zelfs iets over wilde karperreservaten. Aangezien hun site nog in opbouw is vind ik het moeilijk om precies te begrijpen waar ze nu voor staan maar U begrijpt dat als het is zoals ik nu meen te zien, ik het zeer toejuich.


Gegroet en tight lines

Advertentie
Reacties

Plaats een reactie

U bent momenteel niet ingelogd bij CarpFeeling. Als u een reactie plaatst moet u het opgegeven e-mail adres valideren middels een e-mail die ontvangt. Uw e-mail adres wordt voor de rest niet gebruikt. Het is maar een simpele muisklik, maar zo weten we wel zeker dat er geen misbruik van gemaakt wordt zonder in te boeten aan gebruiksvriendelijkheid. Maar als u zich aanmeldt of registreert dan hoeft dit niet en is uw reactie direct zichtbaar, nog net wat makkelijker dus.